Ik sta in het bos te staren naar een knop.
Een beukenknop, specifiek. Dat langwerpige ding dat eruitziet als een sigaretje dat iemand in gips heeft gerold en daarna vergeten is aan te steken. Schubjes in de kleur van kartonnen bakjes uit een dierenwinkel die sinds 2006 niet meer bestaat. Scherp aan de punt, alsof het dreigt.
Ik sta er al tien minuten. Misschien vijftien. Tijd doet gekke dingen in een bos — het wordt elastisch, alsof iemand aan het andere uiteinde van het touw zit en verwacht dat jij daar iets mee doet.
Er komt een jogger voorbij. Hij kijkt naar mij. Ik kijk naar de knop. Geen van ons drieën heeft iets nuttigs toe te voegen.
"Wat deed je vandaag, papa?"
"Naar een knop gekeken."
"Hoelang?"
"Details."
Mil knikt. Hij accepteert dit, mijn kinderen accepteren de meeste dingen, alsof ze lang geleden door iemand verwittigd zijn: hij bewoont een eigen tijdzone, daar komt niemand langs, we laten hem met rust en dan is hij weer normaal. Of iets dat erop lijkt.
Ik heb een theorie over knoppen die ik, als ik eerlijk ben, nergens mee kan staven.
Ze gaan open op hun eigen moment. Een beukenknop wacht. Wacht en wacht en wacht. En dan, op een ochtend die er niet bijzonder uitziet — geen licht, geen wind, geen teken — scheurt hij open en komt er dat blaadje uit dat je elk jaar opnieuw vergeet. Dat het zó groen is, bedoel ik. Een groen dat zegt: ik heb hier niks van geleerd, ik doe dit gewoon elk jaar opnieuw, jullie mogen meekijken of niet.
In mijn hoofd zitten ook knoppen. Ideeën, projecten, een boek dat ik zogezegd zou schrijven. Ze zitten daar goed ingepakt, bruin vliesje eromheen, klaar om niks te doen. Ze wachten niet op licht of op wind. Ze wachten tot ik mijn sleutels vind.
Dat kan duren. Ik heb onlangs ontdekt dat mijn handen zwarte gaten zijn.
"Je moet gewoon opletten," zegt Ine.
"Dat is de bedoeling."
"Maar je doet het niet."
"Details."
Ze lacht niet uitbundig. Droog. Zoals ze altijd lacht — alsof ze lang geleden heeft besloten dat ik een grappig huisdier ben dat ze per ongeluk in het gangpad van de dierenwinkel heeft laten staan, en dat toch is blijven plakken.
Terug naar het bos.
Een kind van tien, kamp, de begeleider kijkt even naar een wesp. Het kind zegt: "Die boom is dood."
Ik kijk. Fagus sylvatica. Beuk. Geen blad in zicht. De takken staan strak en grijs alsof iemand er met een liniaal langs is gegaan.
"Hij is niet dood. Hij staat op stand-by."
"Wat is dat?"
"Een knop is een belofte. Hij doet even niks."
"Hoe weet je dat?"
Ik had iets intelligents kunnen zeggen. Iets over osmotische druk, over winterrust, over hormonen met moeilijke namen. Maar wat ik zei was: "Ik vertrouw hem."
Het kind keek naar mij zoals Ine naar mij kijkt. Dat soort scepsis is blijkbaar universeel. Het is bij kinderen al klaar, ze hoeven het niet eens te leren.
Drie dagen later sta ik op dezelfde plek.
De knop is open.
Hij heeft niet op mij gewacht. Hij heeft gewacht op iets wat ik niet kan zien en ook niet hoef te begrijpen. Het blaadje dat eruit komt is zo klein en zo licht dat het onbeleefd voelt om ernaar te kijken. Alsof je iemand betrapt die net uit de douche stapt.
Ik loop verder. Ik heb niks geleerd.
Mil vraagt 's avonds wat ik vandaag gedaan heb.
"Niks. Naar iets gekeken."
"Hoelang?"
"Details."
Volgende week sta ik er weer.