Bij elk kamp is er minstens één kind dat vraagt naar dassen. Altijd. Soms zijn er twee, dan hebben ze onderling al een deal gesloten. Ze gaan op dassenzoektocht. Ze willen bewijs.
Niemand vraagt ooit naar mos.
Mos is overal. Op elke boomstronk, elke steen, elke betonnen rand die eigenlijk verboden terrein is maar toch al veertig keer bewoond is voor het kamp op gang komt. Mos groeit waar het wil, zonder toestemming, zonder uitnodiging, zonder een enkele Instagram-post om er reclame voor te maken.
Het houdt ook water vast. Dat is het ding. Mos kan tot twintig keer zijn eigen gewicht aan water opnemen en bewaren. Niet een beetje meer. Twintig keer. Dat is alsof jij twintig liter water zou opnemen en gewoon verder gaan met je dag, alsof er niks aan de hand is, alsof je binnenste geen zwembad is geworden dat wacht op een rustig moment om leeg te lopen.
"Wat doet mos?"
We stonden bij een omgevallen beuk. Een kind van misschien negen jaar, met modder tot zijn knie en een twijg die hij al een half uur droeg zonder reden. Hij wees.
"Het houdt water vast."
"Waarom?"
"Zodat het er later nog is."
Hij staarde even. Niet indrukwekkend, zo'n staar. Meer alsof hij het aan het opbergen was ergens achteraan.
"En wie gebruikt dat water dan?"
Goede vraag. De bomen. De insecten. De bodem. Iedereen die te droog wordt en te trots om het toe te geven.
"Iedereen," zei ik.
Hij knikte en liep weg met zijn twijg.
Mos werkt zo. Het staat er niet om op te vallen. Het maakt geen geluid als het regen opslaat, geen geluid als het die regen een week later weer loslaat voor een tak die dorstig was. Het lijkt op niets bijzonders. Zelfs zijn kleur is bescheiden — geen rood, geen geel, gewoon groen in een gradatie die zegt dat het er gewoon is en nog heel lang van plan is om er te zijn.
Op de laatste dag van elk kamp doe ik altijd hetzelfde. Ik zoek even het muffe veldje achter de slaaphut op, de plek die niemand fotografeert. En ik ga even zitten.
Niet om te mediteren. Niet om na te denken over groei of innerlijke rust of wat dan ook.
Gewoon om even te zitten op iets dat twintig keer zijn gewicht draagt en er niks over zegt.
Er wordt veel gevraagd naar dassen. Nooit naar mos. Maar achteraf, als de slaapzakken weg zijn en de modder droogt op het terras, herinner ik me altijd dat kind met die twijg. Niet wat hij zei. Niet wat ik zei.
Gewoon dat hij de vraag stelde.