Overslaan naar inhoud

De stilte na het kampvuur

14 mei 2026 in
YVES HELSEN

Ik heb een reflex waar ik niet trots op ben: als het stil wordt, wil ik iets doen.

Het is de laatste avond. Het vuur is bijna op — nog wat sintels, dat oranje dat ademt alsof het nadenkt. We hebben alles gehad. Gezongen, marshmallows verbrand, een verhaal verteld dat halverwege ontspoorde en daardoor beter werd. Het programma, dat ding waar ik 's ochtends nog een blad over volschreef, is op.

En dan komt het. De stilte.

Ik voel hem aankomen zoals je voelt dat je iets vergeten bent maar niet wat. Mijn hoofd begint al te zoeken. Nog een lied? Een spel? "Wie wil er nog warme chocomelk" — ik heb geen warme chocomelk, maar dat soort details houdt mijn paniek zelden tegen.

Want zo werkt het toch. Een leider vult. Een avond heeft een vorm nodig. Stilte is een gat, en een gat moet dicht.

Ik kijk rond om te zien hoe erg het is.

Het is niet erg.

Er zit een jongen van negen met zijn kin op zijn knieën naar de sintels te kijken alsof daar een film draait die ik niet kan zien. Twee meisjes leunen tegen elkaar, niet omdat iemand het gevraagd heeft, gewoon omdat dat blijkbaar de logische plek was om je hoofd neer te leggen. Iemand achteraan zegt iets heel zacht en iemand anders lacht, ook zacht, en het gaat mij niets aan.

Niemand verveelt zich. Ik ben de enige die de stilte als een probleem heeft binnengelaten.

"Saai?" vraag ik aan de jongen met de knieën. Ik kan het niet laten.

Hij denkt erover na. Kinderen denken echt na over dat soort vragen, ze doen niet alsof.

"Nee," zegt hij. "Het is gewoon klaar."

Het is gewoon klaar. Niet leeg. Klaar.

We hebben een hele week dingen gedaan. Hutten, vuur, een beek waar iemand in viel die er niet in moest vallen. En nu, op het einde, was er dit: een avond zonder vorm, een vuur dat uitgaat, en een groep kinderen die precies wisten wat je met zo'n moment doet. Namelijk niets. Het laten gebeuren.

Ik heb mijn halve leven stilte behandeld als iets wat stuk was. Als ruimte die ik moest verantwoorden. En daar zat ik dan, met een hoofd vol chocomelk die niet bestond, naast een stel zevenjarigen die het al doorhadden.

Het vuur ging uit. Niemand deed er iets aan.

Als het stil wordt, wil ik iets doen. Ik werk eraan. De kinderen geven les.

Wat een salamander niet legt